Mannus Mokerslag (1892-1965): 
een leven van geven en nemen.

Hermannus Gordijn, alias ‘Mannus Mokerslag’, was ooit één van de beroemdste Zwollenaren buiten zijn geboortestad. Opgegroeid in een vanwege regelmatige knokpartijen befaamde omgeving, compenseerde hij al op jeugdige leeftijd zijn geringe lengte met zijn ijzeren vuisten. Toen deze slagerszoon op de Zwolse zomerkermis van 1917 als uitdager uit het publiek de Russische attractie Iwan Kastjór met een linkse directe versloeg, was zijn naam als bokser letterlijk in één klap gevestigd. Hij werd gecontracteerd door een buitenlandse promotor en trok daarna, internationaal bekend als ‘Maul Mannus’, de wereld rond.
Tijdens de Olympische Spelen van Antwerpen in 1924 behaalde hij drie gouden medailles. Als Nederlands kampioen in het middengewicht was hij naar Antwerpen vertrokken. 'Daarvóór was ik ook al de beste, maar werd ik gediskwalificeerd,’ klaagde hij in de kranten. Het jaar tevoren was hem hetzelfde overkomen. ‘Beide keren tegen Amsterdammers.’ Hij had zich, net als zijn directe collega’s, professioneel voorbereid op de Olympische Spelen. De Nederlandse boksploeg liet zelfs de openingsceremonie lopen. ‘We kwamen op zondag aan en de volgende dag was de weging en werd er geloot,’ vertelde Mannus. ‘Dinsdagmiddag bokste ik m’n eerste partij, tegen Malouf. Om me nog een beetje te kunnen voorbereiden, had ik twee dagen onbetaald verlof genomen van mijn werk.’De resultaten bleven niet uit!
Maar de teleurstelling was enorm, toen hij nadien werd gediskwalificeerd wegens het gebruik van Aziatische Pruimtabak. Omdat hij weigerde zijn zwaar bevochten medailles weer in te leveren - deze tabak stond volgens zijn manager namelijk niet op de lijst van verboden middelen - werd hij geroyeerd als lid van de Nederlandsche Boksbond.[i] Het betekende, dat hij ook internationaal niet meer in officiële wedstrijden mocht uitkomen en was veroordeeld tot het boksen in obscure gelegenheden.
Hij bleef zijn thuisbasis houden nabij Zwolle, waar hij te Blalo enige jaren inwoonde bij een aangetrouwde tante.[ii] In 1932 verhuisde hij terug naar Zwolle, naar een deftige wijk, vol van herenhuizen in Jugendstil. Daar bivakkeerde hij in een voormalige meidenkamer en verrichtte hij, in ruil voor kost en inwoning, kleine klusjes en werkte hij ook als tuinman.[iii] Zo legde hij de tuin van de familie des huizes aan in Engelse stijl en groef hij geheel eigenhandig een enorme vijver. Hij gebruikte die ook om er zich ’s winters - temidden van goudvissen, graskarpers en kale kikkers - in te harden bij temperaturen van meer dan tien graden onder nul.
Het toenmalige tennispark van tennisclub ZLTB (Zonder Leden Te Blalo) lag op een steenworp afstand en al snel werd hij lid. Zo ontdekte hij een nieuwe liefde: het tennisspel. (Over eventuele andere liefdes zwijgen de bronnen hardnekkig.)
Een begaafd tennisser was Mannus zeker niet, maar met zijn smashes deed hij zijn naam ook op het gravel alle eer aan. De verhalen willen, dat tijdens zijn partijen de lijnen en de netten regelmatig moesten worden bijgewerkt. Degenen die met hem dubbelden, mochten gebruik maken van zijn speciale massage-olie van onbekende herkomst, die echter zeer effectief bleek te zijn. Pas aan het eind van zijn leven onthulde hij, dat het ging om levertraan van de ‘beloega’, de witte walvis, die hij nog steeds betrok via Russische vrienden.
Na de Tweede Wereldoorlog vertrok Mannus uit Zwolle, omdat het hem niet gelukte een vaste baan te krijgen.[iv] Hij zwierf daarna, zo werd verteld, als kok op een koopvaardijschip de wereld rond. Boksen bleef hij doen, en tennissen ook. In 1958 werd hij nog wereldkampioen boksen bij de bejaarden en in de archieven van zijn voormalige vereniging is zelfs een krantenartikeltje bewaard gebleven met het bericht dat hij in 1960, op een wild-card, een toernooi op IJsland had gewonnen. Twee jaar later, hij was toen net zeventig jaar, werd hij - met een dertigjarige partner - ook nog Nederlands kampioen tennis in de speciale toernooiklasse Mixed-Samen100+’.

Slechts zelden, en dan bij voorkeur in de carnavalstijd, keerde hij daarna nog terug in Zwolle. Arm en eenzaam overleed hij in 1965, op 73-jarige leeftijd, in Wologda, de woonplaats van Iwan Kastjór; de man die ongewild een beslissende invloed op zijn leven had gehad en met wie hij altijd vriendschapsbanden was blijven onderhouden.



[i] Deze Karel Kopernagel, die in en buiten de sport een bijzonder kwalijke reputatie genoot, heeft de carrière van Mannus zeker geen goed gedaan. ‘Had ík hem maar onder mijn hoede kunnen nemen,’ verklaarde de Zwolse fietsenfabrikant en sponsor H.G.A. Ackman  later, ‘dan had Zwolle een sportman van internationale allure binnen zijn grenzen gehad. Een Jaap Eden waardig!’
[ii] Hij woonde hier bij zijn tante jonkvrouwe van Katerstein.
[iii] In de praktijk, zo wilden latere verhalen, viel het met zijn schamele inkomen reuze mee. Hij woonde namelijk ten huize van de schatrijke kunstmestfabrikant Eldert Agricola, die elk jaar op oudejaarsavond een enveloppe met een briefje van duizend gulden onder zijn deurmat doorschoof. De dood van deze weldoener was voor Mannus dan ook een gevoelige slag, met het karakter van zijn eigen linkse directe..
[iv] Eén van zijn sollicitaties pleegde hij in 1949 bij de pas gevestigde Eerste Nederlandsche Globe-Industrie aan de (toen nog) Veerallee. Hij afficheerde zich daarbij vooral als globe-trotter. Die kwaliteit alleen bleek echter niet voldoende voor de gewenste betrekking.