Cola Coba (1918 -2008):

En passant proftennister

 

‘Cola Coba’ werd in de zomer van 1918 in Zwolle geboren als Jacobine de Montaigny. Zij was het enig kind van een Belgisch echtpaar, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Nederland was gevlucht. Haar beide ouders stierven aan de Spaanse griep, die in die tijd in Nederland vele duizenden (en wereldwijd ongeveer 25 miljoen) slachtoffers maakte. Zij werd in eerste instantie liefdevol opgenomen door ‘de nonnetjes van het Gasthuisplein’. 

Op driejarige leeftijd werd zij echter geadopteerd door het gezin van de secretaris van één van de clubs die speelden op de eerste tennisbaan van Zwolle. ‘Coba’, zoals ze door haar nieuwe familie werd genoemd, kreeg het tennis dus met de paplepel ingegoten. Ook in haar huwelijksleven(s) en haar werk speelde deze sport een grote rol. Eerst was zij getrouwd met een overbuurjongen, maar zij bleven wonen in Coba’s pleegouderlijk huis. Haar volgende echtgenoten hadden allebei twee dingen gemeen met hun voorganger. Zij woonden in Blalo en zij waren secretaris van de vereniging waar Coba tenniste.

Vanaf haar zestiende werkte ze op kantoor bij een fietsenfabriek, met een directeur die de tennissport stevig sponsorde. Van haar baas kreeg Coba jaarlijks een nieuwe fiets met dynamo-verlichting (in de jaren dertig hypermodern), twee stel binnen- en buitenbanden, een mini fietspompje en een met kalfsleer bekleed dameszadel. Als er ergens bij een toernooi prijzengeld was te verdienen, stapte Coba rustig voor 100 of 150 kilometer op haar helitrapson, met een tentje achterop. Letterlijk 'en passant' maakte zij onderweg reclame voor de rijwielen van Baving. Oude binnenbanden van haar rijwiel knipte ze in stukken, die ze vervolgens om de handgreep van haar racket spande, hetgeen volgens haar zorgde voor een soepele grip. (Blijkbaar bracht ze haar boodschap met verve, want Baving hield er een levendige handel in oude banden aan over.) In zekere zin was Coba dus al proftennisster avant la lettre. Misschien wel de eerste van het land.

Reeds op zeer jeugdige leeftijd raakte ze verslaafd aan de cola, die zij altijd ijs- en ijskoud dronk. (De stimulerende werking van de cafeïne in de cola was toen nog niet bekend.) Later, zo bleek, zat in haar lievelingsdrank steevast een stevige tic van eigen makelij. Op zich niet bezwaarlijk, maar zij had de gewoonte ook haar tegenstandsters een drankje aan te bieden, hetgeen hun balvastheid niet scheen te bevorderen. Ondertussen won Coba vrijwel alle toernooien waaraan ze deelnam, ook in het buitenland.

Zij beschikte over een merkwaardige, maar zeer effectvolle en effectieve zwabberservice, waarvan het geheim pas recentelijk kon worden doorgrond, nadat de video-camera in gebruik was gekomen. Vooral degenen die voor het eerst werden geconfronteerd met haar bijzondere service, konden er slechts met de grootste moeite vat op krijgen.

Omstreeks 1980 vertrok Coba, die kinderloos bleef, uit Zwolle. Vermoedelijk naar België. Sindsdien ontbrak van haar elk spoor. Een recente oproep via het tv-programma Waar zijn ze gebleven? leerde, dat zij op negentigjarige leeftijd was overleden aan een ernstige griepaanval tijdens een wintervakantie in Spanje. In deze documentaire bleek ook, dat zij de cola haar leven lang trouw was gebleven. De laatste jaren van haar leven dronk zij zelfs niets anders meer, zij het dat de ‘tic’ toen achterwege bleef.