Voorbij, voorbij, o …

Zij
lag op een ministrand
en riep: ‘hèj!’
Hij
was een ministránt,
een misdienaar,
als het ware.
Hij
bleek voor haar
de ware.

Zij
vond hem
niet zomaar,
maar zo …

Bij de eerste …

Haar
was hoofdzaak,
zij,
hoewel veel knapper,
slechts bijzaak,
voor hem,
de kapper.

Bij de tweede …

Zij
droeg een koord-
slip.
Hij
had een koorts-
lip.
Hij
verwijderde haar
van zijn snor.
Zij
verwijderde hem,
met een stevige por.
Toen zat
hij
zonder haar
en zonder snor.

Bij de derde …

Hij
was een henne-
pakker.
Zij
lag op een hennep-
akker.
Hij
kwam bij haar.
Maar
de hennen pikten
en de hennep prikte.
Toen was het voorbij,
op de hennepakker.

Bij de vierde …

Zij
ging voor een pijp-
lasser.
Hij
bleek - helaas voor hem
en ook voor haar -
een monnik
met een zwakke blaas:
een pij-
plasser.

Bij de vijfde …

Zij
wist: elke maandag,
dinsdag, woensdag,
donderdag, vrijdag
bij belsignaal:
school in, school uit.
Voor hem school
in de klank
van een torenklok
de opmaat tot een
zondags bijbel-
signaal.
Zo restte slechts
de zaterdag
en ging het uit
tussen hem en haar.

Bij de zesde …

Zij
was alleen,
nog steeds,
en zocht context
in haar leven.
Hij
de kont van zijn ex.

Maar toen,
bij de zevende …

Zij
lag op een ministrand
en riep: ‘hèj!’
Hij,
de ministrant,
de misdienaar,
keerde om
en bekeerde zich
tot haar.

En zo lagen zij,
zij aan zij,
hand in hand,
op het ministrand
en was haar queeste
voorbij, voorbij,
o en voorgoed voorbij.