Klootschieten: een sport met Olympische potentie

Op 15 oktober 2008 verdedigde ik bij de promotie op mijn proefschrift Baron op klompen aan de Wageningen Universiteit als stelling 7: ‘Klootschieten als regionale, want typisch Oost-Nederlandse sport, heeft Olympische potentie.’
Geboren en getogen in een volbloed boerendorp en als praktiserend klootschieter van weleer meende ik, ook de titel van mijn dissertatie indachtig, deze op het platteland graag beoefende sport de eer te moeten bewijzen die haar toekomt.
Want het gaat hier om een landelijk gezien (geheel ten onrechte) tamelijk onbekend spel en de stelling was dan ook niet uit de lucht gegrepen. Lezers en lezeressen van een passage op de sportverjaardagkalender Echte Helden. Honderd jaar sport in Overijssel. (Wim Coster en Bert Looper, Zwolle 2006, pagina 6-7) kunnen het desgewenst allemaal nog eens rustig in zich opnemen.
De verdediging van deze stelling, met name op basis van genoemde sportpublicatie, droeg gelukkig genoeg mede bij aan mijn promotie. Vervolgens nam ik de stelling, in verkorte vorm, over in een lemma dat ik schreef voor het Atletiek- en turnwoordenboek van Van Dale (2008). Met genoegen en ter illustratie van de rijke geschiedenis van deze sport laat ik het betreffende lemma hier, onder de titel 'Klootschieten: onderhands atletiekonderdeel?' onverkort volgen.

'In het historisch standaardwerk Overijssel schreef de journalist Ph.J.G. Roest in 1931 over een specifiek Twentse sport: het klootschieten. Hij wilde daarmee laten zien dat ook "het landbouwende deel onzer bevolking" belangstelling had voor de sport. Het klootschieten kon ook tot de atletiek worden gerekend, vond Roest, indien tenminste "de beoefenaars slechts in shirts en op spikes liepen, inplaats van in het ouderwetse boezeroen en op dikke wollen sokken."
Ongelijk had hij zeker niet. De "kloatscheeters" verenigden zich in 1931 weliswaar in de Nederlandsche Klootscheeters Boond, maar tot die tijd hadden zij deel uitgemaakt van de Nederlandse Kogelwerp Bond. Het verschil zat, en zit, in de worp van de kloot. Waar de kogelstoters bovenhands gooien, doen de klootschieters dit, met verschillende technieken, onderhands.
Aanvankelijk werd bij dit van oorsprong middeleeuwse spel gebruik gemaakt van een stenen bal: de kloot. Het woord kan onder andere worden afgeleid van kluit, kloet of klomp. Al snel ging men over op hout, dat werd verzwaard met lood. Tegenwoordig wordt veelal gespeeld met een kloot van kunststof of rubber. De NKB telt ongeveer 2.500 actieve leden en is aangesloten bij de Federatie van Klootschieters en (!) Kogelwerpers. Deze federatie is lid van NOC*NSF. Derhalve kan zelfs worden gesteld: het klootschieten heeft Olympische potentie.'   

Tot slot, maar niet in de laatste plaats, verwijs ik naar het venster ‘klootschieten’ in de
Canon van Overijssel. Zonder onbescheiden te willen zijn, laat ik op deze plaats weten dat de opname van dit venster ook (ik zal niet zeggen: ‘en vooral’) op mijn aandringen heeft plaatsgevonden. De redactie van de Canon komt hiervoor in ieder geval alle hulde toe!
En helemaal tot slot: geïnspireerd door al het voorgaande besloot mijn alter ego Naet van de Kous zich, al weer enkele jaren geleden, te gaan verdiepen in de rijke geschiedenis van het klootschieten. Zijn onderzoek is nog steeds gaande, maar de voorlopige resultaten ervan meen ik aan de lezers en lezeressen van deze blog niet te mogen onthouden. Als altijd onder vermelding van de omstandigheid dat enige korrels zout bij de verhalen van deze auteur geen kwaad kunnen.