Prikkeldraad

In Amerika bestond in de tweede helft van de negentiende eeuw onder boeren grote behoefte aan hekken, afrasteringen en omheiningen. Om het in cultuur gebrachte prairieland te beschermen tegen indringers, maar ook en vooral tegen langstrekkende kuddes koeien en bisons. Natuurlijke materialen waren er onvoldoende of brachten, nog afgezien van de groeitijd, andere nadelen als insecten en ongedierte. In 1873 slaagde de welgestelde boer Joseph Glidden er in om patent te krijgen op zijn vinding van twee door elkaar gevlochten ijzerdraden met haarspelden, die voor prikkels moesten zorgen. Hij ging zijn ‘barbed wire’ (prikkeldraad) op grote schaal produceren en zou er schatrijk mee worden.
Maar het bleef niet bij het gebruik voor agrarische doeleinden. ‘Als prikkeldraad dieren kon tegenhouden, lukte dat misschien ook wel bij mensen. Het idee lag voor de hand,’ schrijft Dick Wittenberg in Prikkeldraad. Een geschiedenis van goed en kwaad. Tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika (1899-1902) werd het bewezen. ‘Voor het eerst werd prikkeldraad massaal als militair hulpmiddel gebruikt. Omdat het financieel en technisch mogelijk was.’ Tijdens de Eerste Wereldoorlog volgde nieuw bewijs, al was de grensversperring tussen Nederland en België nog de meest onschuldige vorm. Bij de loopgraven was het wel anders. En zo gaat Wittenberg verder, via Lenin, Stalin en Hitler die prikkeldraad combineerden met terreur en onderdrukking, naar het IJzeren Gordijn en vele plaatsen in de wereld en naar het logo van Amnesty International.
Zo maakt de auteur de ondertitel van zijn boek geheel waar.


Dick Wittenberg. Prikkeldraad. Een geschiedenis van goed en kwaad. Uitgeverij Atlas Contact, 2015.