Platpraoten

‘Lager loon voor platprater’, kopte de Stentor van 22 september 2016. ‘Mensen met een dialect verdienen minder dan zij die ABN spreken.’ Aldus het intro op een artikel, waarin wordt gemeld dat dialectsprekers vijf tot vijftien procent minder verdienen dan mensen die het ABN, het zogeheten Standaardnederlands, bezigen. 

De belangrijkste conclusie, naar aanleiding van recent onderzoek door hoogleraar arbeidseconomie aan de universiteit van Tilburg Jan van Ours, is te lezen in de laatste twee alinea’s. ‘Thuis kun je gerust dialect spreken, maar leer je kind aan dat het in een andere context beter is om Nederlands te spreken’, zegt de Nijmeegse hoogleraar sociologie Gerbert Kraaykamp. Zo is het!
Dialect kan prachtig en krachtig zijn, een gevoel geven van verbondenheid en vertrouwdheid. Dialect hóórt in een bepaalde omgeving. Een arts bijvoorbeeld die ook de taal van de streek spreekt, wint eerder het vertrouwen van een patiënt. En een autoverkoper kan er voordeel bij hebben om bij lokale klanten over te schakelen naar hun eigen taal. Maar een streekeigen dialect is geen gerecht dat je ook elders zonder meer kunt opdienen.

In een andere - inderdaad - context kan het juist averechts gaan werken. Wat, tot op zekere hoogte, weer niet hoeft te gelden voor een accent. Want dat kan juist weer zijn eigen charme hebben, iemand kleur geven, zonder dat het de communicatie belemmert.
Kortom: spreek je moers taal in je moers streek, maar daarbuiten, al dan niet met een (licht) accent, ABN. Of, zo nodig en als het kan wél zonder accent, de taal van een ander land.     

Naschrift:
Annuk uut Blalo (zie zijn verhaal ‘Vergeven’ bij de Gasten in deze blog) heeft na lezing van het artikel loonsverhoging gevraagd bij zijn werkgever de VIVO. Hij is ook een cursus Italiaans gaan doen bij de Volksuniversiteit Zwolle.
‘Ciao’, roept hij nu als je hem tegenkomt op zijn bakfiets.